|
Het jaar 2009 verslagen
Inleiding op het thema
Ralph ter Hoeven
Voor u ligt Het jaar 2009 verslagen: onderzoek jaarverslaggeving; alweer de vijftiende editie in een reeks waarin onderzoek naar de kwaliteit van jaarverslaggeving centraal staat. Evenals vorig jaar is deze editie tot stand gekomen door een samenwerking tussen het Koninklijk NIVRA en het Maandblad voor Accountancy & Bedrijfseconomie (MAB). De in dit nummer opgenomen bijdragen zijn beoordeeld door een kernredactie bestaande uit Chris Knoops, Henk Langendijk, Henk Verhoek en ondergetekende. De redactie is met name bij de keuze van de onderwerpen en de auteurs bijgestaan door de redactieraad.
Met het voortzetten van de reeks Het Jaar Verslagen wordt nadrukkelijk getracht een impuls te geven aan de kwaliteit van de jaarverslaggeving in Nederland. Onderwerpen worden door de redactie(raad) geselecteerd op grond van hun actualiteit en worden door de auteurs diepgaand behandeld. Het empirisch onderzoek is gebaseerd op jaarverslagen of jaarrekeningen van een Nederlandse of Europese populatie en dient nadrukkelijk een tweeledig doel. In de eerste plaats wordt onderzocht in hoeverre verslaggevingsnormen worden nageleefd zodat gerichte aanbevelingen kunnen worden gedaan ter verbetering van bepaalde verslaggevingsaspecten. In de tweede plaats wordt de kwaliteit van de verslaggeving gestimuleerd door het opnemen van best practices. Dit zijn gedeeltes uit een jaarrekening of jaarverslag die door de onderzoekers positief worden beoordeeld ten aanzien van het onderzochte onderwerp. Deze goede verslaggevingspraktijken kunnen als voorbeeld of stimulans dienen voor andere ondernemingen die aan dezelfde verslaggevingsvereisten moeten voldoen.
Zoals gebruikelijk in de traditie van Het Jaar Verslagen zijn de onderwerpen gekozen op grond hun actualiteit die kan bestaan uit het actuele economische klimaat (bij voorbeeld de financiële crisis) of de veranderende regelgeving. Wat dit laatste betreft kan zowel gedacht worden aan veranderingen binnen het IFRS-raamwerk, veranderingen in overige regelgevende kaders waaraan ondernemingen moeten voldoen, veranderingen in regelgeving voor bijzondere instellingen alsmede veranderingen in de toezichtsinfrastructuur. De voor de geselecteerde onderwerpen gevraagde auteurs hebben de vrijheid een eigen invulling te geven aan het te bestuderen onderwerp alsmede aan de te selecteren onderzoekspopulatie. Uiteraard worden belangrijke keuzes wel afgestemd met de redactie. Omdat ook in deze editie wijd uiteenlopende onderwerpen zijn bestudeerd verschilt ook de onderzoekspopulatie per artikel. Daarbij geldt inmiddels dat voor de IFRS-gerelateerde onderwerpen vaak een Europese populatie wordt geselecteerd (IFRS wordt immers binnen de gehele Europese Unie door beursgenoteerde ondernemingen toegepast) terwijl bij andere onderwerpen een Nederlandse populatie meer voor de hand ligt. In deze editie geldt dat met name voor het artikel over de externe verslaggeving van ziekenhuizen.
In deze editie zijn een zevental artikelen opgenomen waaraan negentien auteurs hebben meegewerkt. Het eerste artikel van de hand van De Bos, Edelman, Lückerath-Rovers en Scheltema handelt over de kwaliteit van de op te nemen informatie over goed ondernemingsbestuur, aangeduid met de term ‘corporate governance’. De informatievereisten hieromtrent zijn recentelijk veranderd respectievelijk geïntroduceerd en op verschillende plaatsen in de wet- en regelgeving terecht gekomen. De auteurs concluderen dat er sprake is van een uiteenlopende verslaggevingspraktijk hetgeen niet bijdraagt aan een begrijpelijke informatieverstrekking aan de gebruikers van de jaarrapporten. De auteurs pleiten voor aanpassingen in de wet- en regelgeving.
In het tweede artikel behandelen Backhuijs en Camfferman de toepassing van IFRS 8 door een Europese populatie van beursgenoteerde ondernemingen. Deze IFRS-standaard handelend over gesegmenteerde gegevensverstrekking is voor het eerst van toepassing in het (kalender)boekjaar 2009. Evenals in het vorige artikel concluderen de auteurs dat sprake is van aanzienlijke diversiteit in de toepassing van de verslaggevingsvereisten. De auteurs schrijven dit mede toe aan het open karakter van de standaard (IFRS 8) zelf. Zij concluderen verder dat er niet sprake is geweest van een opvallende toename van het aantal segmenten door de (eerste) toepassing van IFRS 8. De auteurs pleiten voor een betere toelichting op de gehanteerde maatstaf voor de bepaling van het segmentresultaat en een kwalitatief betere toelichting van de aard van de verschillen tussen het (totale) segmentresultaat en het resultaat volgens de winst-en-verliesrekening. Gezien het belang dat beleggers hechten aan gesegmenteerde informatieverstrekking verdient dit pleidooi zeker de nodige aandacht.
Het derde artikel handelt over de toelichting omtrent het accountantshonorarium in de jaarrekening. Langendijk concludeert dat de kwaliteit van de toelichting te wensen over laat en schrijft dat mede toe aan de onduidelijkheden van artikel 2:382a BW. Op basis van een uitgebreid empirisch onderzoek onder 360 grote Nederlandse rechtspersonen (zowel beursgenoteerd als niet-beursgenoteerd) concludeert Langendijk dat het accountantshonorarium in 2009 is gedaald ten opzichte van 2008 en dat deze daling zowel in het beursgenoteerd als niet-beursgenoteerd segment optreedt. Zogenoemde Big4-klanten kennen echter een aanzienlijk hogere daling van het accountantshonorarium vergeleken met niet-big4-klanten. De auteur geeft een aantal interessante verklaringen voor deze bevindingen.
In het vierde artikel bestuderen Koster en Opentij de gevolgen van de in 2009 ingevoerde transparantierichtlijn op de kwaliteit van de halfjaarrekeningen. Deze halfjaarrekeningen dienen vanaf 1 januari 2009 aan IFRS te voldoen, althans voor zover er sprake is van een geconsolideerde (half)jaarrekening. De auteurs hebben hun empirisch onderzoek gebaseerd op 60 halfjaarrekeningen van buitenlandse (Europese) ondernemingen en hebben hun bevindingen vergeleken met eerdere studies onder Nederlandse populaties. Uit het onderzoek blijkt dat de kwaliteit van naleving binnen de groep van onderzochte buitenlandse halfjaarrekeningen in het algemeen beter is vergeleken met de Nederlandse populatie. Daarbij is het opvallend dat de betrokkenheid van de accountant bij de halfjaarrekening in het buitenland veel groter is.
In de volgende bijdrage onderzoeken Bout en Ter Hoeven in hoeverre een populatie banken binnen een Europese index voldoet aan de voorschriften van het in maart 2009 gepubliceerde IFRS 7-amendement “Improving disclosures about financial instruments”. Dit amendement bepaalt met name dat tegen fair value gewaardeerde financiële instrumenten op grond van een fair-value-hiërarchie (level 1, 2, 3) moeten worden geclassificeerd en is mede naar aanleiding van de kredietcrisis versneld door de IASB ingevoerd en geëffectueerd. De door de IASB doorgevoerde amendementen op IFRS 7 worden met wisselende kwaliteit toegepast waarbij de meeste ruimte voor verbetering ligt in het geven van informatie per soort (‘class’) financieel instrument. De auteurs constateren dat er vaak interdependenties bestaan tussen instrumenten in de verschillende levels, waardoor een zelfstandige weergave van de informatie over level 3-instrumenten niet altijd een goede weergave vormt van door de onderneming gelopen risico’s.
In het zesde artikel van deze editie besteden Roozen en Van der Tas aandacht aan de bedrijfstakspecifieke toepassing van IFRS voor vastgoedbeleggers. Daarbij wordt voor de jaarrekeningen 2009 van Europese vastgoedbeleggers met name gekeken naar de waardering van vastgoed, informatie over de kredietcrisis en het gebruik van alternatieve prestatiemaatstaven. Uit het onderzoek blijkt dat de kredietcrisis deze sector niet onberoerd heeft gelaten. In de jaarrekeningen 2009 laat 75% van de vastgoedbeleggers die reële waarde toepassen negatieve ongerealiseerde resultaten zien en hebben alle ondernemingen die op kostprijs waarderen bijzondere waardeverminderingen doorgevoerd. De belangrijkste conclusies zijn dat weliswaar informatie wordt verschaft over aspecten van de kredietcrisis, maar dat deze meer specifiek kunnen worden gemaakt. Het gaat met name om het specifiek maken van toegenomen onzekerheden omtrent de waardering van vastgoed en het herfinancieringsrisico.
In het laatste artikel besteden Van der Beek, Van Ginkel, Schaepkens en Schrier aandacht aan de externe verslaggeving van ziekenhuizen. De directe aanleiding om de ziekenhuissector voor dit onderzoek te selecteren is gelegen in het feit dat het bekostigingsstelsel van deze sector de afgelopen jaren fors is gewijzigd waardoor onzekerheid is ontstaan over de toekomstige terugverdienbaarheid van de kapitaallasten. Ook de verslaggevingsvereisten inzake corporate governance zijn aangescherpt. De auteurs hebben zich gericht op onderwerpen zoals immateriële vaste activa, vastgoedwaardering, financieel beleid, governance en risicomanagement. De conclusie is dat de verslaggeving op nogal wat punten te wensen over laat.
Graag wil ik namens de redactie van Het Jaar 2009 Verslagen de auteurs zeer hartelijk bedanken voor hun bijdrage aan de voorzetting van deze goede Nederlandse onderzoekstraditie in het algemeen en dit themanummer van het MAB in het bijzonder. De redactie houdt zich uiteraard aanbevolen voor op- of aanmerkingen naar aanleiding van deze publicatie.
Prof. dr. R.L. (Ralph) ter Hoeven RA is partner op het vaktechnisch centrum van Deloitte Accountants en hoogleraar externe verslaggeving aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij is tevens voorzitter van de redactie van Het Jaar 2009 Verslagen.
|