









|
|
Special: Accountant en fraude
|
MAB: januari/februari 2003
Thema: Accountant en fraudeHet accountantsberoep maakt hectische tijden door. Zo is de nodige kritiek op het functioneren van accountants losgebarsten naar aanleiding van fraudezaken als Enron en de bouwsector. Kritiek, die ook een kans biedt om versterkt uit deze moeilijke tijden te komen. Noodzakelijk want de kritiek heeft een negatieve invloed op het vertrouwen dat men heeft in de accountantsverklaring bij de jaarrekening. De verklaring is het kernproduct van de accountant en vormt een hoeksteen van corporate governance. Alle reden dus om de kwaliteit van dit product te waarborgen. Daarom de nodige aandacht in dit themanummer voor de problematiek rondom fraude en accountant. In de eerste bijdrage schetst Marcel Pheijffer de belangrijkste bevindingen van de Parlementaire Enquêtecommissie Bouwnijverheid voor zover het gaat om het accountantsberoep. De kritiek van de commissie richt zich op de collectieve afwezigheid van accountants van bedrijven binnen de bouwnijverheid als het gaat om de vraag hoe men is omgegaan met het controleren van de sector toen zich fundamentele wijzigingen - middels jurisprudentie - qua regelgeving voordeden. De Enquêtecommissie doet een aantal aanbevelingen voor het accountantsberoep om te komen tot een herbezinning op het eigen functioneren. Pheijffer sluit zijn lezenswaardige bijdrage af met de hoop dat het rapport van de commissie een aanzet geeft tot een verdere discussie binnen het beroep. In het artikel "Fraude en accountant in het huidige tijdsbeeld" stelt André Bindenga dat accountants niet langer de kritiek van het maatschappelijk verkeer kunnen pareren door te wijzen op de door hen zelf ontwikkelde theorieën over de grenzen van de accountantscontrole. Nadat hij tot de conclusie is gekomen dat het uitvoeren van een accountantscontrole en het opsporen van fraude twee verschillende bezigheden zijn, stelt hij de vraag "Hoe nu verder?" Ter beantwoording poneert hij een aantal voorstellen om de bestaande verwachtingskloof te overbruggen. Als derde in rij volgt Philip Wallage. Ook hij gaat in op de relatie tussen de accountantscontrole van de jaarrekening en het ontdekken van fraude en concludeert dat de controle van de jaarrekening niet gericht is op het opsporen van fraudes. Vervolgens gaat hij in op de consequenties van de bevindingen van de Enquêtecommissie. De bevindingen moeten daadwerkelijk consequenties hebben voor het controleplan van de accountant. Ter illustratie worden een aantal noodzakelijke specifieke werkzaamheden voor de controle van jaarrekeningen van bouwbedrijven geschetst. Dit in lijn met de nieuwe Richtlijn voor de Accountantscontrole die begin 2003 van kracht wordt. Daarna volgt een artikel van de hand van Hans Blokdijk. Blokdijk stelt de positie van forensische accountants aan de orde. Zij spelen vaak een dubbelrol: zij onderzoeken feiten en zijn tevens oordelende deskundigen. Daarom stelt hij een strikte scheiding van deze rollen voor. Het themanummer wordt afgesloten met zeer relevant artikel getiteld "Accountant en machtsverhoudingen in ondernemingsland" door Arnoud Boot en Roel Soeting. De auteurs gaan in op de oorzaken van de vertrouwenscrisis, de (gewenste) onafhankelijkheid van de accountant, en de implicaties voor de organisatiestructuur van de accountantskantoren. Met name het terugdringen van de conglomeraatvorming is volgens de auteurs noodzakelijk om de publieke rol goed te kunnen vervullen. Tevens wordt de noodzaak van een goede werk- en vertrouwensrelatie tussen de driehoek bestuur (CEO), RvC en de onafhankelijke accountant benadrukt. |
|
|
|