









|
|
Special: Reele waarden en financiele verslaggeving
|
Themanummer Reële waarden en financiële verslaggeving
Martin Hoogendoorn Eén van de onderwerpen die de gemoederen van betrokkenen bij financiële verslaggeving het meest bezig houden is de ontwikkeling in de regelgeving naar een grotere mate van toepassing van reële waarden in de jaarrekening. Deze ontwikkeling houdt een omwenteling in van een vooral op historische kosten en daarmee op het verleden gerichte balans en winst-en-verliesrekening naar een jaarrekening waarin de waardering vooral bepaald wordt door marktwaarden en toekomstverwachtingen. Maar hoe serieus moeten we tegen deze ontwikkeling aankijken ? Zal het werkelijk zo’n hoge vlucht nemen ? En leidt dit inderdaad tot meer volatiele resultaten ? En zo ja, is dat dan een probleem, voor ondernemers of voor analisten ? Gaan ondernemingen dan ook hun bedrijfsbeleid aanpassen ? Het zijn enkele van de vragen waarop in dit themanummer in vier artikelen nader wordt ingegaan. In het eerste artikel van Krens wordt het begrip reële waarde, of fair value, nader toegelicht. Uit dit artikel blijkt dat er diverse mogelijke invullingen van de reële waarde zijn, afhankelijk van de situatie. Ook vergelijkt Krens het begrip reële waarde met verwante begrippen zoals actuele waarde, marktwaarde en de contante waarde van toekomstige opbrengsten. Hij concludeert dat er sprake is van een belangrijke overlap en een niet altijd eenduidige afgrenzing van het begrippenkader. Het tweede artikel van Camfferman en Van der Wel is gericht op een historische beschrijving van de opmars van de reële waarde in de nationale en internationale regelgeving. Daarbij wordt teruggegaan tot de eerste vermelding onder US GAAP in 1939 tot aan de veel bredere toepassing die de laatste jaren is opgekomen, vooral op het gebied van financiële instrumenten, maar ook daarbuiten. De auteurs concluderen dat het begrip reële waarde al een lange voorgeschiedenis kent en in dat opzicht vinden zij dat de ontwikkeling eerder evolutionair dan revolutionair is. Evenals Krens vragen zij zich af of de voortgang van reële waarden in de financiële verslaggeving zich wel zal voortzetten, omdat de toepassing op niet-actieve secundaire markten zal stuiten op praktische en conceptuele bezwaren. In het derde artikel van Hoogendoorn wordt echter gesteld dat de huidige regelgeving zich nog in het beginstadium bevindt en dat reeds nu ontwikkelingen zijn waar te nemen dat de toepassing aanzienlijk zal worden uitgebreid. In dit artikel wordt ingegaan op de gevolgen van toepassing van reële waarden voor jaarrekening en ondernemingsbeleid. Verschillende modellen voor de toepassing van de jaarrekening worden besproken, met cijfermatige toelichting. Voorts wordt ingegaan op de ontwikkeling van een nieuw soort winst-en-verliesrekening door de IASB, die de verdere groei van fair value accounting aanvaardbaar lijkt te kunnen maken. Ook wordt ingegaan op vraagstukken van relevantie en betrouwbaarheid en op de vraag of een verdere toepassing van fair value accounting en de daarmee gepaard gaande volatiliteit zal leiden tot daadwerkelijke verandering van ondernemingsbeleid. Hoogendoorn meent dat dit niet het geval zal zijn indien nu reeds sprake is van een bewuste en verdedigbare risico-rendementsafweging. Hoe denken ondernemers in Europa over de toepassing van reële waarden ? Deze vraag wordt beantwoord in het vierde artikel, waarin Louwrier verslag doet van een onderdeel van zijn promotie-onderzoek. Dit onderzoek was gericht op financiële instrumenten. Hij concludeert dat door ondernemers fair value minstens net zo relevant en betrouwbaar wordt gevonden als andere waarderingsgrondslagen en voor beursgenoteerde instrumenten zelfs als meer relevant en betrouwbaar. Dit betekent niet dat zij integrale toepassing van fair value accounting omarmen: voor instrumenten die voor langere tijd worden aangehouden prefereert men een meer op historische kosten of nominale waarden gerichte waarderingsgrondslag, ongerealiseerde waardeveranderingen neemt men liever niet op in de winst-en- verliesrekening, en in het algemeen prefereert men vermelding in de toelichting boven waardering in de balans. Maar toch is er niet sprake van een duidelijke afwijzing, hetgeen in zekere zin verrassend kan worden genoemd. Louwrier concludeert dat ondernemers in ieder geval fair value een geschikte waarderingsgrondslag vinden voor financiële instrumenten. Met deze vier artikelen krijgt u een globaal overzicht van geschiedenis, heden en toekomst van de toepassing van reële waarden in de financiële verslaggeving. Ook in de komende nummers en jaargangen van dit tijdschrift zal dit onderwerp nog vaak een plaats krijgen. Het is duidelijk dat het onderwerp reële waarden de gemoederen nog lang zal bezig houden.
|
|
|
|