Login











Thema: Impairment en waardebepaling

Thema: Impairment en waardebepaling

 
Ruud Vergoossen
 
In dit nummer staat het thema bijzondere waardevermindering of impairment van vaste activa en daaraan gekoppeld de problematiek rondom de waardebepaling centraal. Impairment is een fenomeen dat we in de externe financiële verslaggeving steeds vaker tegenkomen. Dit hangt vooral samen met ontwikkelingen in de regelgeving die evolueert in een systeem waarbij balansposten worden gewaardeerd tegen reële waarde in plaats van tegen historische kostprijs of nominale waarde. In dit systeem is geen plaats voor systematische afschrijvingen, maar wordt periodiek getoetst of de boekwaarden van de vaste activa nog wel ten minste gelijk zijn aan hun realiseerbare waarden. Wanneer de realiseerbare waarde van een vast actief lager blijkt te zijn dan de boekwaarde vindt ten laste van de winst- en verliesrekening afwaardering naar die lagere realiseerbare waarde plaats. In dit themanummer wordt het onderwerp impairment en waardebepaling vanuit verschillende invalshoeken belicht.
Het themanummer wordt geopend met een artikel van Joost Groeneveld. Zoals gezegd, zien we in de externe financiële verslaggeving een ontwikkeling in de richting van waardering tegen reële waarde (fair value accounting). Dit impliceert dat het waardebegrip uit de financiële economie een rol gaat spelen. De reële waarde kan echter alleen maar worden vastgesteld in perfecte markten. Groeneveld geeft een beschouwing van de waardebegrippen uit de economie, de financiële economie en de externe financiële verslaggeving. De vraag is of de balans in de externe financiële verslaggeving de economische waarde moet reflecteren. De prijs die hiervoor moet worden betaald, is een jaarrekening waarin het realisatiebeginsel is losgelaten. Groeneveld beantwoordt deze vraag ontkennend.
In het tweede artikel van dit themanummer gaat Ruud Vergoossen in op de regelgeving met betrekking tot bijzondere waardevermindering van vaste activa. De richtlijn van de Raad voor de Jaarverslaggeving die daarover gaat, wordt daarbij als uitgangspunt genomen. Deze richtlijn was tot voor kort vrijwel identiek aan de regelgeving van de International Accounting Standards Board (IASB). Vergoossen gaat kort in op aanpassingen die recentelijk in de IASB-regelgeving zijn doorgevoerd en behandelt enkele belangrijke verschillen met de corresponderende regelgeving in de Verenigde Staten. Ondanks de gedetailleerde regelgeving blijft het bepalen van het moment waarop een bijzondere waardevermindering moet worden verantwoord en het vaststellen van de hoogte van een bijzondere waardevermindering een subjectieve aangelegenheid.
Het derde artikel is van de hand van Wim Holterman. Hij behandelt de waardebepaling in het kader van de goodwill impairment-test en gaat daarbij in op de belangrijkste waarderingsaspecten. De waarderingsvoorschriften met betrekking tot de goodwill impairment-test worden geëvalueerd in het licht van gangbare opvattingen over waardebepaling in de fusie- en overnamepraktijk. Ook wordt de veel gehoorde kritiek op het subjectieve karakter van de goodwill impairment-test aan de orde gesteld. Holterman pleit in dat kader voor de totstandkoming van ‘algemeen aanvaarde waarderingsprocedures voor impairment-tests’, die zowel de opstellers, de controleurs als de gebruikers van de jaarrekening meer houvast bieden.
André Bindenga behandelt in het vierde artikel welke aspecten voor de controlerend accountant zijn verbonden aan de bijzondere waardevermindering van vaste activa. Daartoe maakt hij een onderscheid tussen de situatie waarbij de ondernemingsleiding van oordeel is dat een impairment noodzakelijk is en de situatie dat de controlerend accountant alleen dit oordeel heeft. Bindenga betoogt dat de controlerend accountant bij meningsverschillen met de ondernemingsleiding met goede argumenten moet komen om een niet-goedkeurende accountantsverklaring bij de jaarrekening te geven, gezien de aan onderhavige problematiek verbonden subjectiviteit. De controle van bijzondere waardeverminderingen is bij uitstek een zaak van professionele oordeelsvorming.
Het thema Impairment wordt afgesloten met een artikel van Chris Knoops en Jan Huij. Zij behandelen de resultaten van een empirisch onderzoek naar bijzondere waardeverminderingen in de jaarverslagen 2001 en 2002. Waardeverminderingsverliezen en eventuele terugnemingen hiervan zijn gebaseerd op schattingen en hebben een grote invloed op het getoonde resultaat. Inzicht in deze post is met name voor (potentiële) aandeelhouders en kredietverschaffers essentieel. Uit het onderzoek blijkt dat de gegevensverstrekking in de jaarverslaggeving vaak tekortschiet. Knoops en Huij uiten het vermoeden dat gezien de omvang van de bijzondere waardeverminderingen in relatie tot het gepresenteerde nettoresultaat een aantal ondernemingen ‘schoon schip’ maakt.