









|
|
Thema: Principles versus rules
|
In principe geregeld, of in de regel principieel? Roger Dassen [1]
Een citaat: ‘The Financial Accounting Standards Board (FASB) strongly and actively supports the internationalization of accounting standards. As part of its mission, the FASB seeks to promote the international comparability of accounting standards concurrent with improving the quality of financial reporting’. Een interessant, en ogenschijnlijk recent citaat, passend binnen het streven van onder meer de SEC om op termijn IFRS te accepteren als verslaggevingsstandaard voor ter (Amerikaanse) beurze genoteerde ondernemingen. Toch is het citaat 11 jaar oud, en afkomstig uit ‘The IASC-US Comparison Project (FASB, 1996), een eerste dappere poging van de FASB om overeenkomsten en verschillen tussen IAS/IFRS en US GAAP in kaart te brengen. Inderdaad, een dappere poging, want al op de eerste pagina’s wordt duidelijk gemaakt dat de meer principiële IAS/IFRS zich lastig laten vergelijken met het in meer gedetailleerde regels gegoten US GAAP. Dat brengt ons bij de kern van dit themanummer. Is ‘rules-based’ versus ‘principles-based’ na de ingrijpende veranderingen in zowel verslaggevings- als controlestandaarden nog altijd een herkenbaar verschilpunt tussen de toonaangevende standaarden? Waar liggen de fundamentele verschillen? Is het mogelijk om op conceptuele gronden een voorkeur voor een van de benaderingen te hebben? In vier zeer uiteenlopende bijdragen zal getracht worden op deze en andere vragen een antwoord te geven. De spits wordt afgebeten door de bijdrage van Van der Tas. In deze uiterst lezenswaardige bijdrage gaat hij in op de ontwikkeling van het begrip ‘principles’ in de loop van de tijd. Toegepast op verslaggevingsregels constateert hij dat ‘principles-based’ standaarden hun kracht ontlenen aan de consistentie met een conceptueel raamwerk, waardoor de behoefte aan voorbeelden, uitzonderingen of nog meer gedetailleerde regels aanzienlijk wordt beperkt. Van der Tas bespreekt de voor- en nadelen van principles-based standards setting, en constateert dat de tendens naar meer gedetailleerde standaarden onvermijdelijk is in een verjuridiserende samenleving. Niet verbazingwekkend dus dat ook IFRS –met zijn bijna 2500 pagina’s- volgens hem niet kan gelden als principles-based. Niettemin ziet hij reële mogelijkheden voor een meer principles-based benadering binnen IFRS, onder een aantal voorwaarden, waaronder een kwalitatief hoogwaardig Framework. Van der Tas laat daarmee op uiterst constructieve wijze de openingen zien naar een trendbreuk die wellicht a-typisch is in de maatschappelijke ontwikkeling, maar die wel consistent is met het streven van de IASB. Het tweede artikel is van de hand van Pheijffer, die als lid van de International Auditing and Assurance Standards Board vanuit de eerste hand commentaar geeft op de ontwikkelingen rondom controlestandaarden. Ook hij constateert dat de ‘rules-based’ benadering terrein wint, niet in de laatste plaats door het zogenaamde ‘clarity project’. Pheijffer meent dat de controlestandaarden door dit project minder complex, minder uitgebreid en concreter worden, maar dat door de strakkere verwoording het gezag van de standaarden als meer dwingend zal worden ervaren. Ik deel zijn visie overigens maar ten dele. Terwijl onmiskenbaar de tekst er qua helderheid op vooruit is gegaan door de strikte toepassing van een aantal conventies, ben ik niet gerust op de splitsing van de huidige standaarden in ‘hoofdtekst’ en ‘application material’. Ik zie, overigens met Pheijffer, een risico dat het ‘application material’ door professionals en door nationale standards setters als minder relevant en niet verplicht wordt ervaren, waardoor de robuustheid van het standaardenstelsel juist zou kunnen teruglopen ten opzichte van het huidige stelsel. Het derde artikel is van Mouthaan. Hij biedt een verfrissend perspectief op het vraagstuk regels versus principes binnen het corporate governance-domein, door een beschouwing te geven van spectaculaire ‘corporate failures’ uit de recente historie. Zijn conclusie is dat deze niet het gevolg waren van tekortkomingen in de formele structuren, maar van falend toezicht en van menselijk tekortschieten. Gedeelde waarden en een bedrijfscultuur van onvoorwaardelijke integriteit zijn naar de mening van Mouthaan de belangrijkste waarborgen voor een goede governance, maar terecht stelt hij vast dat er bij toezichthouders, accountants en wetenschappers nog te weinig inzicht bestaat in de vraag hoe ethiek, integriteit en ‘normen en waarden’ objectief gemeten en gemonitord kunnen worden. Hommen neemt het laatste artikel voor zijn rekening, geschreven vanuit zijn perspectief van commissaris bij een aantal vooraanstaande (veelal beursgenoteerde) ondernemingen. Hij deelt met ons zijn zorgen over mogelijke excessen in het toezicht op accountants en de impact die dat zou kunnen hebben op wat hij noemt de ‘angstcultuur’. Hij roept op tot een herwaardering van het belang van de professionele oordeelsvorming door accountants, en pleit voor een driedeling in het toezicht op accountants, waarbij de zwaarte van het toezicht afhankelijk is van de mate van ‘openbaar belang’. Een interessante gedachte, die bij de grote internationale accountantsorganisaties overigens zou leiden tot een redelijk ingrijpende splitsing tussen hun nationale en internationale praktijken, met mogelijk uiteenlopende kwaliteitsprofielen. Food for thought… Hommen is overigens positief over de introductie van IFRS in de Europese markt. Wel spreekt hij zich uit voor een ontwikkeling naar een meer principles-based benadering van IFRS, met Van der Tas plaatst ook hij vraagtekens bij het volgens sommigen ‘principled-based’ karakter van de lijvige IFRS bundel. Daarbij snijdt hij kort ook het thema aan van interpretaties van IFRS. En daarmee toont Hommen bewust of onbewust het dilemma aan van dit thema, ‘rules’ versus ‘principles’. Want tegenover het risico van uiteenlopende interpretatie van IFRS als gevolg van het ontbreken van uitvoerige voorbeelden, uitzonderingen en detailinterpretaties –en daarmee het risico van het ontstaan van IFRS-dialecten, staat het risico dat de interpretaties een zodanige autoriteit gaan krijgen dat deze gemakkelijk als nadere ‘rules’ kunnen worden opgepakt. De IASB ontkomt er niet aan om als internationale standsetter in dit krachtenveld naar een soort Pareto-optimum te zoeken. Daarbij geldt ook nog dat de balans tussen rules en principles nadrukkelijk aan de dynamiek van de tijd onderworpen is zoals de geschiedenis van ‘standardsetting’ ons leert (Ter Hoeven, 2005). Van eminent belang is, zoals ook Van der Tas al aangaf, in dit kader de beschikbaarheid van een zeer hoogwaardig ‘Framework’. Momenteel wordt aan de herziening hiervan gewerkt, en ik ben zeer geïnteresseerd in de principiële insteek die hierbij wordt gekozen. Sommigen vrezen dat deze aanpassing uiteindelijk zal resulteren in het verlaten van de stewardship-functie van de jaarrekening ten faveure van de waarderelevantie. Ofwel, de reductie van de ‘value gap’ (tussen boekwaarde en marktwaarde/beurswaarde) zou prevaleren boven het belang van de jaarrekening als objectief en toetsbaar verantwoordingsdocument. Wat mij betreft de verkeerde weg. De value gap is een gegeven, en deze moet niet worden bestreden door een steeds verder doorschieten in fair value accounting, maar door gebalanceerde guidance ten aanzien van de opname van niet-financiële prestatie-indicatoren in de verslaggeving over de daadwerkelijke ‘value drivers’. Bij een dergelijk model blijven objectiviteit en toetsbaarheid op een hoog niveau, en komt niettemin de informatie beschikbaar die beslissers nodig hebben om hun waarderingsmodellen te kunnen maken. Een tweede factor van eminent belang is de aanwezigheid van een goed functionerende interpretatiecommissie die erin slaagt om interpretaties op eenduidige en navolgbare wijze te herleiden tot dat Framework, zodat de interpretatie het principe en het Framework bekrachtigt en niet onderuithaalt. In principe heeft IASB het zo geregeld, maar daarmee is men helaas in de praktijk nog niet in de regel principieel! ________________ Financial Accounting Standards Board, The IASC-US Comparison Project, Norwalk, 1996. Hoeven, R.L. ter (2005), Principle-based versus Rule-based Standards; waar ligt de balans?, Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie, jg. 79, no. 10 (oktober), pp. 475-485.
[1] Prof . dr. R.J.M. Dassen is bestuursvoorzitter van Deloitte Nederland en tevens hoogleraar Auditing aan de Vrije Universiteit Amsterdam. |
|
|
|