









|
|
Thema: Jaarverslaggeving MKB
|
Jaarverslaggeving MKB Quo Vadis?
Ruud G.A. VergoossenProf.dr. R.G.A. Vergoossen RA is participant en directeur Vaktechniek van BDO CampsObers Accountants & Adviseurs en hoogleraar op het gebied van de externe financiële verslaggeving aan Nyenrode Business Universiteit en Universiteit Maastricht. De wet- en regelgeving op het gebied van de externe financiële verslaggeving is nog steeds in beweging en het eind is nog niet in zicht. Na en naast de turbulentie rondom de introductie van de International Financial Reporting Standards (IFRSs) in de Europese Unie en de acceptatie van deze standaarden door de Amerikanen, staat nu ook al enige tijd de jaarverslaggeving van het midden- en kleinbedrijf in het centrum van de belangstelling. Reden voor de kernredactie om aan dit onderwerp een themanummer te wijden. Het thema Jaarverslaggeving MKB omvat een viertal artikelen. Het eerste artikel is van de hand van Hugo van den Ende en Bob Owel en gaat in op het streven van de International Accounting Stardards Board (IASB) om te komen tot een IFRS specifiek voor de niet-beursgenoteerde ondernemingen. De conceptstandaard die de IASB in februari 2007 heeft gepubliceerd is feitelijk een afgeleide van wat wordt genoemd full IFRSs, dat wil zeggen de standaarden die de IASB met name heeft geschreven voor het multinationale bedrijfsleven. Van den Ende en Owel vragen zich dan ook terecht af of de conceptstandaard het leven van niet-beursgenoteerde ondernemingen makkelijker zal maken. Zij zijn van mening dat dat (nog) niet het geval is en laten dat zien aan de hand van een beperkt empirisch onderzoek. Verdergaande vereenvoudigingen zouden moeten plaatsvinden ten aanzien van de behandeling van goodwill, de verwerking van latente belastingen, de classificatie en waardering van pensioenregelingen en het gebruik van de reële waarde. Ook Brussel heeft afwijzend gereageerd op de conceptstandaard van de IASB. Het lijkt erop dat de Europese Commissie een andere weg voor ogen heeft om te komen tot administratieve lastenverlichting voor het midden- en kleinbedrijf. Henk Verhoek gaat hier in het tweede artikel nader op in. Hij bespreekt in hoofdlijnen een aantal voorstellen van de Europese Commissie om te komen tot vereenvoudiging van de jaarverslaggeving van kleine en middelgrote ondernemingen.[1] De voorstellen betreffen onder meer de introductie van de categorie micro-ondernemingen (naast de categorieën groot-middelgroot-klein) die – in de Nederlandse context – volledig zou worden vrijgesteld van het opmaken van een jaarrekening gebaseerd Titel 9 BW 2, een versoepeling van het overgangsregime bij wisseling van groottecategorie, een volledige vrijstelling van de publicatieplicht voor kleine ondernemingen en een uitbreiding van de vrijstellingen voor ondernemingen die maar weinig externe gebruikers van hun jaarrekening hebben. Verhoek geeft aan dat de voorstellen van de Europese Commissie weliswaar leiden tot besparingen op korte termijn, maar dat die op lange termijn negatief kunnen uitwerken. In Nederland is in juni van dit jaar een wetswijziging van kracht geworden die aan kleine ondernemingen de mogelijkheid biedt om hun jaarrekening te baseren op fiscale waarderingsgrondslagen in plaats van deze op te stellen in overeenstemming met Titel 9 BW 2. Bart Kamp behandelt de wetswijziging in het derde artikel. Daarnaast gaat hij uitgebreid in op mogelijke implicaties die met het samenvallen van de jaarrekening en de fiscale aangifte gepaard kunnen gaan. In dat kader wordt onder meer aandacht besteed aan de gevolgen voor het gepresenteerde eigen vermogen en voor de verwerking van intercompany-transacties. De fiscale waarderingsgrondslagen zijn niet gericht op kapitaalbescherming, waardoor er openingen lijken te zijn voor misbruik. Kamp beargumenteert dat de samenvalmogelijkheid voor kleine ondernemingen een administratieve vereenvoudiging kan betekenen, maar plaatst terecht kanttekeningen bij de door de wetgever voorgespiegelde kostenbesparing. Overigens indiceert een beperkt empirisch onderzoek dat kleine ondernemingen sowieso een ‘dubbele boekhouding’ proberen te voorkomen door in de op Titel 9 BW 2 gebaseerde jaarrekening waarderingsgrondslagen te kiezen die de fiscus ook accepteert. In het vierde artikel doe ikzelf, samen met Leja Gouwens verslag van een representatief empirisch onderzoek naar de kwaliteit van de jaarstukken 2006 die middelgrote ondernemingen bij het handelsregister hebben gedeponeerd. In dat kader hebben wij de jaarstukken en meer in het bijzonder de jaarrekening op een aantal aspecten onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat de termijnen voor het opmaken en vaststellen van de jaarrekening en het deponeren van de jaarstukken niet altijd worden nageleefd en dat de gedeponeerde jaarstukken soms niet compleet zijn. Ook komt het nogal eens voor dat de accountantsverklaring die in de jaarstukken is opgenomen niet helemaal aan de door de wetgever of beroepsorganisaties gestelde eisen voldoet. Het onderzoek brengt verder aan het licht dat informatie die op grond van wettelijke bepalingen of stellige uitspraken van de Raad voor de Jaarverslaggeving moet worden opgenomen in een aantal gevallen gebrekkig is of ontbreekt, overigens zonder dat dit leidt tot een melding in de accountantsverklaring. In een vergelijking met de uitkomsten van een soortgelijk onderzoek tien jaar geleden, komt naar voren dat er bij de aspecten waarop de jaarrekeningen zijn onderzocht meestal sprake is van een lichte verbetering. Dit neemt niet weg dat er ook nog steeds omissies zijn waar te nemen. De vraag is nu: hoe verder met de externe financiële verslaggeving van het midden- en kleinbedrijf?Het initiatief van de IASB om te komen tot een IFRS voor niet-beursgenoteerde ondernemingen vind ik prima, maar zal er mijns inziens nooit toe mogen leiden dat die verplicht wordt voorgeschreven. Ik heb niets tegen een vrijwillige toepassing van deze IFRS en zou dat graag aan de marktpartijen zelf willen overlaten. Verplichte toepassing zal voor het gros van het midden- en kleinbedrijf onherroepelijk hogere administratieve lasten tot gevolg hebben, zelfs wanneer de IFRS voor niet-beursgenoteerde ondernemingen nog verder zal worden vereenvoudigd.Dan de voorstellen van de Europese Commissie. Deze dienen mijns inziens te worden ondersteund en nader te worden uitgewerkt. In tegenstelling tot Verhoek ben ik niet zo bang voor de negatieve uitwerkingen op lange termijn. Wat is bijvoorbeeld de toegevoegde waarde van de niet-gecontroleerde gecomprimeerde balans met toelichting die kleine ondernemingen op dit moment worden geacht uiterlijk dertien maanden na balansdatum te deponeren bij het handelsregister? Door de gebrekkige tijdigheid van publicatie alleen al – doorgaans die dertien maanden na dato – tendeert de toegevoegde waarde naar nul.[2]Dit gezegd hebbende, is het ook geen enkel probleem als een kleine onderneming ervoor kiest om gebruik te maken van de samenvalmogelijkheid. Je kunt je dan vervolgens zelfs de vraag stellen, waarom een kleine onderneming überhaupt een (inrichtings)jaarrekening moet opstellen en waarom zij niet zou moeten kunnen volstaan met de aangifte vennootschapsbelasting.In het onderzoek naar de kwaliteit van de deponeringsstukken van middelgrote ondernemingen, zien wij (wederom) dat er nog steeds tekortkomingen zijn die op een of andere manier worden getolereerd of gedoogd. Ook hier wordt het tijd dat er spijkers met koppen worden geslagen: de regels worden afgeschaft of de naleving daarvan wordt afgedwongen. Wat mij betreft is er geen tussenweg. Het is evident dat de regelgevers in Nederland en de Europese Unie hier een rol hebben te vervullen. Hoe het ook zij, de externe financiële verslaggeving van het midden- en kleinbedrijf is sterk in beweging en gezien de lopende initiatieven, de recent totstandgekomen wetswijziging en – niet de vergeten – de mogelijkheden die XBRL (nog) gaat bieden, zal dat de komende jaren ook nog wel zo blijven. De uitkomst hiervan zal echter moeten zijn: differentiatie en flexibilisering van de jaarverslaggeving. Differentiatie niet alleen naar de omvang, maar ook naar de aard van de onderneming en flexibilisering afhankelijk van de context waarin een onderneming opereert, bijvoorbeeld het wel of niet aanwezig zijn externe gebruikers van de jaarverslaggeving of het internationaal of uitsluitend in een nationale omgeving opereren van de onderneming. Literatuur:Kloeze, J. (2008), Tweegesprek Ieke van den Burg en Ruud Vergoossen: Europa en IFRS, zegen of vloek?, Accountancynieuws, 21 maart, pp. 10-13.Vergoossen, R.G.A. (2007a), Micro, klein, middelgroot en groot, Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie, jg. 81, nr. 10, oktober, pp. 444-445.Vergoossen, R.G.A. (2007b), IFRSs in de Europese Unie: een paard van Troje?, Nyenrode Business Universiteit, oratie, 1 oktober.
[1] In mijn vorige column (Vergoossen, 2007a) heb ik de voorstellen van de Europese Commissie al de revue laten passeren.
[2] Zie voor de discussie rondom de IFRS voor niet-beursgenoteerde ondernemingen en de voorstellen van de Europese Commissie ook mijn oratie (Vergoossen, 2007b) die ik op 1 oktober 2007 aan Nyenrode Business Universiteit heb gehouden en het verslag van het gesprek dat ik in maart 2008 had met Europarlementariër Ieke van den Burg (Kloeze, 2008). |
|
|
|